HIJ: Als wij op de wilde poef iets verstandigs zeggen, is dat gewoon een ode aan de paradox. / ZIJ: Boef. / HIJ: Wat? / ZIJ: Op de wilde boef. / HIJ: Ja, dat zei ik toch? Moeilijk om op de wilde boef iets verstandigs te zeggen. / ZIJ: Boef van bof, niet pof. / HIJ: Pof? / ZIJ: Niet poef van pof. / HIJ: Boef toch? / ZIJ: Ja, maar van bof, van geluk. / HIJ: Ja ja, boef.
w: Ik ga luid praten zodat iedereen kan horen dat ik hier graag ben, met jullie. Dat daar geen misverstanden over bestaan, want het is waar. Ik ben zo blij dat ik terug ben. Hebben jullie het gezien, dat ik ben teruggekeerd? Terugkeren, dacht ik, terugkeren en toegeven, eraan toegeven dat je hier graag bent, bij jullie, waar ik kan spelen en niet mijzelf hoef te zijn.