a: Zo, zoals ik nu dans, zo zou ik willen dat mijn dans wordt gezien. Zo zou ik willen dat mijn dans wordt begrepen. Zo, zoals ik nu dans, zo zou ik jaloers willen zijn op hoe mijn dans wordt gedanst. Zo zou ik mijn dans willen zien dansen, door mij. Zo zou ik me willen realiseren dat het mijn dans is die ik zie, die ik zie dansen door mij, voor jullie en voor mij. Zo, zo, en zo, zoals ik nu doe, zo zou ik mijzelf duidelijk willen maken dat ik aan het dansen ben, zonder me dat bewust te zijn. En zo, zo, en zo, en zoals ik het nu zeg, zo zou ik het willen vertellen.
 
l: Hoe erg zou het zijn als dit de laatste keer is? Als dit de laatste keer is dat wij elkaar zien? Hier. Ik bedoel niet alleen wij, u en wij, maar ook wij, jij en ik. Hoe erg zou het zijn als zich omstandigheden voordoen die deze keer tot de laatste keer maken? Want je weet het niet. Je weet het niet toch? / w: En nog iets. Hoe erg zou het zijn als dit de laatste keer zou zijn en we nu toch zijn overvallen door de gedachte dat dat kan, dat dat echt kan dat dit de laatste keer zou kunnen zijn, dat wij kijken en luisteren naar elkaar. Want u kijkt en luistert niet alleen naar ons, dat weet u toch? Wij doen dat ook bij u. Uw lach wordt gehoord, uw stilte beoordeeld. 'Wat is dat voor stilte?' vragen wij ons hier af, ook nu.